Hondenlevens
Ik heb geen hond. Ik heb er nooit een gehad, en ik zal er ook nooit een hebben. Ik geloof graag dat een hond je beste vriend kan zijn, maar een beste vriend die ik drie keer per dag moet uitlaten, vergezeld van een poepzakje, dat hoeft niet voor mij. En weet je hoe een natte hond ruikt als die buiten in de regen is geweest? Nee, dank je. Vroeger hadden wij thuis ook geen hond, dus ik weet ook helemaal niet wat ik eventueel zou missen.
Voor alle duidelijkheid: ook een kat is niet aan mij besteed. Wel eens een kattenbak schoongemaakt? Of een flatulente kat in je auto gehad? Ik wel. Die optie loopt dus ook dood. Overigens is het nu niet helemaal waar dat er vroeger thuis nooit hond was, want voordat ik op deze wereld kwam kijken, en toen mijn zus nog een baby was, hadden mijn ouders wel een hond. Een zwarte spaniël, die naar de originele naam Blackie luisterde. Maar ook mijn zus zal Blackie niet herinneren, want het arme dier is niet oud geworden.
Mickey
Toch waren er zo nu en dan wel eens honden in mijn leven -
maar dan van zeer korte duur. Mickey heette de poedel van mijn oom en tante, en
wij mochten twee weken op hem passen toen zij met vakantie gingen. Mickey was zo'n
tussenmaat poedel, niet groot, maar ook niet klein. Wij hadden best wel lol met
Mickey. Zo konden we verstoppertje met hem spelen. Op een zondagmiddagwandeling
in de duinen, weigerde Mickey plotseling nog om een poot te verzetten. Waarna
mijn vader de hond een heel eind terug heeft moeten dragen. Toen Mickey weer
werd opgehaald, was het verdriet groot bij mijn zus en mij.
Astor
Later kwam Astor om de hoek kijken. Letterlijk, want Astor was
de hond van de buren, zo'n buitenloophond - dat mocht toen nog - die altijd bij
ons naar binnen wilde als de buren zelf
niet thuis waren. En als Astor dan lekker bij ons voor de kachel lag, was hij
met geen stok naar zijn eigen huis te krijgen. Soms werd hij dan over het
parket naar buiten gesleept door de buurjongen. En wie het verhaal over de
hebberige hospita heeft gelezen, weet dan ook dat ik eens op een wandeltocht
zomaar gratis en voor niks een dag lang een hond als begeleider kreeg. Hoewel
ik wel het vermoeden heb dat het dier meer zijn oog op mijn wandelgenoot liet
vallen dan op mij.
Tegenwoordig is er Teddy. Zij is de hond van het gezin van mijn achterneef Pieter. Teddy is een bordercollie, en een uitermate lieve hond. Zij begroet mij altijd alsof zij mij wekenlang niet heeft gezen, al zie ik haar na twee uur weer. Toen ik mijn verjaardag vierde in Bad Bentheim, mocht Teddy mee. En zij heeft zich voorbeeldig gedragen, geen blaf was er van haar te horen in het hotel. Er is alleen een probleempje en dat is dat Teddy mij vereenzelvigt met snoep. De zoon van de achterneef, de achter-achterneef dus, liet mij zien hoe Teddy een snoepje van haar eigen neus kon vangen. Sindsdien staat Martin gelijk aan snoep voor de hond. En sinds ik eens wat lekkers voor haar meenam - gedroogde konijnenoren, wie wil dat niet? - en die in mijn linkerhand had, snuffelt zij altijd aan die hand als ik binnenkom. Of aan mijn jaszak, zo'n hond weet best dat daar ook wel eens wat in kan zitten.
Dinky
Lang voor Teddy was er Dinky. Dat was de hond toen mijn achterneef nog een
jongen was. Dinky was zelfs voor een vuilnisbakkie een nogal onbestemd klein
hondje. Maar wat zij aan formaat miste, maakte zij goed door haar enthousiasme
als je op bezoek kwam. Maar Dinky hing iets vreselijks boven haar kop. Ik blijf
erbij dat dove en slechtziende kleine zwarte hondjes niet in het donker op de
grond moeten gaan liggen. Het was een warme zomeravond, en ik was op bezoek. We
zaten allemaal genoeglijk buiten. Ik wilde naar het toilet. Daarvoor moest je via
de schuur naar binnen. Maar achter de schuurdeur, in het aardedonker, lag Dinky
te slapen. 'Krak', zei haar pootje toen ik daar op ging staan. Gejank, commotie, ik hoef het niet uit
te leggen. Maar dat ik daarna nog eens op dat pootje ging staan, zoals de
jeugdige achterneef destijds beweerde, is natuurlijk onzin. Alsof ik bang was
dat het pootje niet goed gebroken was. Toen ik de volgende dag kwam kijken hoe
het ermee was, kwam Dinky mij vrolijk tegemoet, hinkelend met een pootje in het
gips. Het arme dier heeft nooit geweten wie haar de ellende had aangedaan.
De dierenarts koste wel wat natuurlijk, dus ik toog met de rekening naar het assurantiekantoor waar ik mijn aansprakelijkheidsverzekering had afgesloten. Daar lagen ze in een deuk toen ik vertelde wat er was gebeurd. Ze hadden niet meer zo gelachen, zo werd mij verteld, sinds er een man bij ze kwam met het verhaal dat hij de condoomautomaat aan de muur van de Trekpleister had beschadigd.


Reacties
Een reactie posten