Twee dagen vakantie extra in Karinthië

 

Onze familievakanties in vroeger tijden, en dan heb ik het over de jaren zestig en zeventig, verliepen in de meeste gevallen probleemloos. Maar een keer ging het niet helemaal goed. Jongere generaties zullen, als ze dit al zouden lezen, de rillingen over de rug lopen. Hoe is het mogelijk dat mensen in die tijd op reis konden gaan, zonder smartphone en voordat er geldautomaten waren? Lees wat er gebeurde tijdens een vakantie in St. Andrä, vlakbij de Ossiachersee in Karinthië. En we spreken dan over het jaar 1968.

Mijn vader was iemand die altijd alleen Opel en sinds 1970 alleen Toyota reed. Degelijke auto's die je nooit voor een verrassing plaatsten. Afgezien van die ene vakantie waarbij al op de heenweg op de Autobahn de uitlaat van de Corolla het begaf, en de opgezochte Toyota-garage geen passende uitlaat in voorraad had. Maar dat was iets dat voor een handige monteur met behulp van een uitlaat voor een groter model en een ijzerzaag geen probleem was.

Apegapen

Maar tussen die Opels en Toyota's in was er een korte periode waarin mijn vader de beschikking kreeg over Fords, model Taunus 12M en later 15M. Dat hebben geweten op vakantie naar Karinthië in 1968. Prima auto's, maar ze stonden bekend om een onhebbelijke gewoonte: de motoren hadden de neiging om nogal snel oververhit te raken. Dat had te maken met de nieuwe en kennelijk niet goed uitgerijpte constructie van voorwielaandrijving in combinatie met een V4-motor leerde ik veel later. Maar de oplossing was simpel, zo was mijn vader verteld. Als dit dreigde te gebeuren, dan zet je gewoon de verwarming op z'n hoogst, om zoveel mogelijk warmte aan de motor te onttrekken. En dus hingen wij hartje zomer op apegapen uit de ramen in een file op de Autobahn, terwijl later in de Alpen bergop dezelfde maatregel noodzakelijk was. Maar dat was allemaal nog te doen, want file voorbij of bergaf was het probleem over.

Bucketlist

Tegen het einde van de vakantie, we zouden nog twee dagen in Karinthië blijven, stelde mijn vader voor om een dagje naar Noord-Italië te rijden. Dat was natuurlijk geweldig, want dan konden mijn zus en ik nog een land van onze jeugdige bucketlist schrappen. Nu had je in die tijd nog van die echte grenscontroles, waar de paspoorten en de bij de auto horende groene verzekeringskaart werd gecontroleerd. En er werd gevraagd of je iets aan te geven had - een vraag die mijn vader steevast beantwoordde met "alleen een vrouw en twee kinderen", dit altijd tot grote gene van mijn zus en mij. Maar zover kwam het allemaal niet. De file aan de Oostenrijks-Italiaanse grens kroop traag voort en toen wij eindelijk aan de beurt waren, vroeg de douanier aan mijn vader "weet u dat er vloeistof uit de radiateur druppelt?". Nee, dat wist mijn vader natuurlijk niet. Rechtsomkeert gemaakt, radiateur een paar keer met water bijgevuld, verwarming vol aan en het gezin weer naar adem happend uit de ramen hangend. Maar we hebben het tot St. Andrä gered.

Postkantoor

Nu was het geluk dat er in St. Andrä een Ford-garage was. Maar daarbij hield het geluk op. De radiateur moest worden vervangen, en die was voor dit model niet in voorraad. Op zich geen punt, want die kan natuurlijk worden besteld. Vandaag de dag is zo'n onderdeel er dan de volgende dag. Maar dit was 1968. Een nieuwe radiateur zou zeker drie dagen op zich laten wachten. Dat betekende dat wij twee dagen extra in Karinthië moesten blijven. Voor de mevrouw waar mijn ouders een familiekamer huurden was dat geen probleem, en voor mijn zus en mij natuurlijk al helemaal niet. Het was wel een onoverkomelijke hindernis voor het gepast meegenomen vakantiebudget. Radiateur, reparatie en twee nachten extra, zoveel geld was er niet meer. En eventjes extra geld opnemen was er in die lang vervlogen tijden niet bij. Nu was de Ford een auto van de zaak, dus mijn vader besloot om naar zijn werkgever te bellen om het probleem voor te leggen. Ho, ho, er wordt hier met mijn telefoon niet naar Nederland gebeld, zei de mevrouw waar wij de kamer huurden. Zij vreesde met kosten te blijven zitten, want dat gesprek was vast en zeker veel duurder dan mijn vader dacht, en hoe moest zij dat dan terug zien te krijgen? De oplossing was het postkantoor. Daar kon mijn vader naar zijn werkgever in Rijnsburg bellen, en die heeft de volgende dag telegrafisch geld overgemaakt naar dat postkantoor. Tja, en zo ging dat in de tijd zonder mobiele telefoons en zonder geldautomaten.

De auto werd gerepareerd, en de terugreis verliep probleemloos. Voor zover ik mij herinner.


Een Ford Taunus 12M, met twee kennelijk nog niet oververhit geraakte jongedames. Beide Fords van mijn vader waren lichtblauw.

Reacties

Populaire posts van deze blog

Sinister Londen

De hebberige hospita im Schwarzwald