Canadezen

Canadezen. Laat ik het daar eens over hebben. Tijdens mijn roadtrips in de Amerika ben ik ook een paar keer in Canada geweest. Dat deden we dan vanuit Boston of vanuit Chicago - naar de VS vliegen was om de een of andere manier altijd goedkoper dan naar Canada. Het huren van een auto bovendien ook. Die Canadezen, dat zijn leuke mensen. Over het algemeen een welkome afwisseling met de mensen die je aan de Amerikaanse kant van de grens tegenkomt - vooral als ze een uniform dragen.

Ik wil natuurlijk niet generaliseren, op mijn reizen ben ik heel veel ontzettend aardige Amerikanen tegengekomen. Maar het kan verkeren. Soms heel erg onverschillig en zeker onwetend hoe het er in de rest van de wereld aan toe gaat. Ik deed eens boodschappen in een kleine zelfbediening in een gehucht in de Cascades, het stijgingsregengebergte in het noordwesten van de USA. Het meisje achter de kassa was heel vriendelijk en nieuwsgierig naar waar ik vandaan kwam. "Nederland? Is jullie land technologisch net zo ver als Amerika?" vroeg ze, terwijl ze de prijs van elke boodschap een voor een handmatig in de kassa intikte. Voor ons Nederlanders al een middeleeuwse handeling, gewend als we toen al waren dat een kassamedewerker je spullen gewoon scande.

Waar Amerikanen uitblinken in onvriendelijkheid, is aan de grenzen. Op het vliegveld, of wanneer je vanuit Canada de VS weer inrijdt, je wordt beschouwd als een potentiële misdadiger, drugssmokkelaar of terrorist. Laat ik maar geen voorbeelden geven, het zou bijna een apart blogverhaal moeten worden, en allemaal al lang voordat Trump de afkeer voor alles wat uit het buitenland komt tot gewoonte maakte.

Welcome!

Samen met een vriend reed ik van Sault Ste. Marie (VS) naar Sault Ste. Marie (Canada) - ik kan het ook niet helpen dat beide steden dezelfde naam hebben. Bij het binnenrijden van Canada zei een Canadese grensambtenaar of wij onze losse Amerikaans visa goed in de paspoorten hadden zitten. "Niet voor ons, geloof me, maar voor die daar aan de andere kant als je weer terug gaat." Hij probeer nog niet eens zijn afkeer van zijn Amerikaanse collega's te verbergen, het dedain droop er vanaf. We stopten later op een parkeerterrein in Sault Ste. Marie. Toen we, nadat wat gegeten hadden, weer terugkeerden zagen we een Canadese politieman kentekens van de geparkeerde auto's noteren. Verschrikt dat we hadden moeten betalen, vroegen we wat hij aan doen was. Er hoefde niet betaald te worden, we gingen vrijuit, maar hij controleerde welke auto's er al te lang stonden geparkeerd. Vervolgens kwam de standaardvraag die elke Canadees zou stellen, "waar komen jullie vandaan?" Uit The Netherlands, zeiden wij. "Ah, may I welcome you to Canada!" was het verrassende antwoord. Hij was oprecht benieuwd naar onze reisplannen. We wilden via Highway 2, oftewel de Trans Canada Highway, langs de noordkant van Lake Superior naar het plaatsje Wawa. De politieman had een suggestie voor ons. Hij ging er helemaal vanuit dat wij gingen kamperen. "Ik adviseer je om een stukje naar het noorden te rijden, zo mooi daar. Dan zetten jullie daar in de vrije natuur je tent op en maken een mooi kampvuur. Oh, wat zeg ik nu? Dat mag ik helemaal niet zeggen, je mag geen kampvuren maken met deze droogte. Je hebt niks van mij gehoord." Lachend namen we afscheid.

Grosch

Canadezen, ze zijn zo anders dan Amerikanen. Misschien omdat ze meer op elkaar zijn aangewezen in dat grote land met maar relatief weinig inwoners? Ik reisde met neef Pieter, toen bijna 17, via de wildernis van Maine via een dirt road - de Golden Road - van Millinocket naar Canada. Pieter reed het grootste deel van de rit in de Ford Explorer SUV. Ik weet, met 16 nog geen rijbewijs, maar tijdens de hele rit van zo'n 90 kilometer zijn we maar een stuk of drie, vier auto's tegengekomen. En die jongen was al een heel goede chauffeur moet ik zeggen - ik had het hemzelf geleerd. En het doet mij denken aan de vrouw aan de bar van een diner midden in het niets van Divide, Montana, die vertelde dat ze vroeger als 14-jarige zelf met de auto naar de opstapplaats van de schoolbus reed. In Canada namen Pieter en ik onze intrek in een motel met cabins aan het water in Lac Megantic, Quebec. "De mensen zijn hier heel anders", zei Pieter. "Veel aardiger." Als zelfs een zestienjarige dat opvalt, moet het waar zijn. Ze hadden daar Grolsch bier in de bar van het motel iin het afgelegen Quebecaanse plaatsje. Dat hielp ook natuurlijk.

De steaks in Wawa

Maar tijdens de zojuist beschreven reis naar Wawa hadden wij een motel gevonden net buiten het plaatsje. We reden aan het begin van de avond naar Wawa om daar wat te eten. Op een zijweg van Highway 2, volkomen verlaten van welke vorm van verkeer dan ook behalve wijzelf, stond midden op de weg een agent van de Royal Canadian Mounted Police. Zo'n echte, in vol ornaat, rode jas en indrukwekkende hoed. Met de hand ophoog, hij hield ons staande. Het was nog maar een jonge gast, liep naar de auto en leunde relaxed met zijn armen in het geopende portierraam. "Sorry dat ik jullie laat stoppen, maar ik heb nu eenmaal de opdracht om verkeerscontrole te houden. En er is hier helemaal geen verkeer en ik sta al een tijdje." Natuurlijk kwam de standaardvraag waar wij vandaan kwamen. Ook de mountie van de RCMP vond dat alweer een hele eer voor zijn land. "Mag ik jullie een tip geven? Als je de hoofdstraat inrijdt, zie je na 100 meter een restaurant, daar hebben ze toch lekkere steaks! Moet je echt proberen. Fijne vakantie!"

N.B. 'Wawa' is in de inheemse Ojibwe-taal het woord voor Canadese gans. Vandaar het beeld dat je vlak buiten Wawa ziet nabij Lake Superior.

Reacties