Belgisch bier en snelle auto's
"We reden daarnet 200 km/u", zei ik tegen mijn moeder. "Je merkt er bijna niets van", zei ze, flegmatiek als altijd. Ik begrijp dat dit om uitleg vraagt. Na mijn studie had ik een tijdje een deprimerende parkeerbaan bij De Katwijksche Post. Met als enige bonus dat ik driemaal per maand een autotest mocht schrijven. Daarvoor kreeg je van importeurs zomaar een week lang een auto tot je beschikking.
Het was 1989, en de auto was een Opel Kadett in zijn laatste gedaante. Niet de auto op bijgaande foto, dat is een Honda, en daarover hieronder meer. En het was ook niet ook niet de brave
burgermans Kadett die je als je wat ouder bent herinnert, maar een snelle
sportuitvoering - de GSi. Waarmee Opel het truttige imago trachtte af te schudden. Die probeerde ik daarom een keertje uit, 's avond op
een verlaten stuk snelweg. En maar heel erg kort, want het was al gek genoeg natuurlijk.
Vaak trok ik samen met een collega er een dag op uit met zo'n testauto. Soms zelfs
een paar dagen. Een keer kregen we via een plaatselijke dealer een nieuw model
mee, dat nog niet in de verkoop was, compleet met zakgeld voor een weekendje
weg. Met drie man en een vrouw togen we naar Vianden in Luxemburg. Dat riekt
naar omkoping natuurlijk, maar daar zaten we niet mee.
Gênant
Al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een
lelijk ding. Met zo'n testauto pronk je met andermans veren. Soms was dat gênant.
Het was december, en we zetten koers naar de Eifel in een prijzige Honda Legend
Coupé. De eerste overnachting was in het fraaie houten hotel König, net buiten
Daun, het had zomaar model kunnen staan voor The Great Northern in Twin
Peaks. Wij waren de enige gasten, dachten wij, en hebben daarom het uitgestalde
ontbijtbuffet tot de laatste kruimel opgegeten. Teruglopend naar de kamers,
kwamen we andere gasten tegen die onderweg waren naar de nu karige ontbijtruimte.
Het houten hotel is later ook nog eens afgebrand, maar er zal geen
causaal verband met het ontbijt zijn. De tweede dag reden we door naar Limburg
an der Lahn. Ik ga er nu niet meer op de bonnefooi op uit, in de weekeinden zit
alles vol. Maar ook toen zou het verstandig zijn geweest om eerst iets te
regelen, want vrijwel elk hotel bleek gesloten. Behalve die ene, waar de lobby
ons direct al duidelijk maakte dat deze ons budget ver te boven ging. We
probeerden geruisloos het pand te verlaten, maar de eigenaar had ons gezien en
was niet van plan ons zomaar te laten gaan - hij had helemaal geen gasten. We
zeiden eerlijk dat dit voor ons te duur was. "Wat wilt u dan
betalen?", was zijn onverwachte
antwoord. Een kamerprijs naar beneden bietsen, het is beschamend, maar we kwamen
uit op de helft van de gevraagde prijs. Het werd echter erger. "U
kunt uw auto op de binnenplaats parkeren." Pal naast zijn eigen Jaguar. De
hotelier liep mee om de bagage te dragen. We zeiden nog wel, dat de auto niet
van ons was, maar zijn gelaat verraadde ongeloof. De volgende ochtend nam hij
de kamersleutels in ontvangst. "Eine gute Fahrt in
Ihrem schönen Auto", beet hij op kille toon toe.
Het klooster van Westmalle
Ik was jong, en zat er niet mee om ook zo nu en dan zomaar een dagje heen en weer naar Luxemburg te rijden. Iets waar ik nu niet meer aan moet denken. Regelmatig reden dan ook anderen mee met het team van De Katwijksche Post, op zoek naar avontuur in een auto waar je normaal gesproken alleen maar naar kunt kijken. We reden naar de Ardennen met een Chevrolet Corsica. Dat klinkt indrukwekkend, maar in het land van herkomst had deze dezelfde status als de iconische, maar tamme Kadetten. Voor ons echter iets bijzonders, en met z 'n drieën gingen we er op uit. Dick had het stuur overgenomen. Rijdend over de Belgische Boudewijnsnelweg bespeurde hij een bord dat een afslag naar Westmalle aankondigde. In Westmalle is een klooster, in dat klooster brouwen ze trappist, en zo'n klooster kun je bezoeken, overtuigde de chauffeur als liefhebber van Belgisch bier ons opgetogen. Als je dan toch in de buurt bent, mag je de kans niet laten liggen om daar wat vloeibare aandenken in te slaan. Wie stuurt, bepaalt de route. Dus bogen we af het Belgische platteland in. Maar bordjes die ons naar het klooster zouden kunnen brengen ontbraken volledig. En dit was voordat iemand ook maar van Google had gehoord, dus je was altijd aangewezen op een kaart. Die hadden wij niet. Westmalle lieten we in een vloek en zucht achter ons, en we staarden in de leegheid van de Kempen. Waar was nou dat klooster? Een man die in zijn tuin aan het werk was, zou ongetwijfeld uitkomst bieden. Dick liet het raam naar beneden zakken, en stelde de bondige vraag "Het klooster van Westmalle?" Een kort antwoord in romig Vlaams: "Awel, wat is daermee?" Een tikje uit het veld geslagen breidde onze chauffeur zijn vraag uit. "Ah, gaat ge U aangeven?" Dat is lastig voor een niet-katholiek, die bovendien getrouwd is. Maar we hebben het klooster gevonden. De lichte verbazing van de Belg werd ons duidelijk. De poort was gesloten, de trappisten van de abdij van Westmalle brouwen weliswaar bier, maar leven in stilte. Die doen niet aan rondleidingen. Laat staan dat je er een voorraad abdijbier kunt inslaan. Daar heb je winkels voor.Franse kuren
Met dat Belgische bier is het bij een volgend uitstapje wel
goed gekomen, en route door België op weg naar Monschau in Duitsland. Aangeschaft
bij de waterval van Coo, als ik mij goed herinner. De ingeslagen voorraad werd
in de bagageruimte van de Peugeot gezet. Zoals het een Franse auto betaamt,
besloot de 405 daarna dat het tijd werd voor Franse kuren. We stopten bij een
parkeerplaatsje in de Belgische natuur, we verlangden naar de meegenomen verfrissingen.
De ontgrendeling van de kofferbak, een elektronisch systeem, weigerde echter alle
dienst. Terwijl we daar stonden te tobben om de dekstel open te krijgen, sloeg een
nieuwsgierige Nederlandse bermtoerist op sandalen ons gade, met z'n handen in de
zakken van zijn te lange korte broek. Na vijf minuten stelde hij een scherpzinnige vraag. "Wil
hij niet open?" Het antwoord van de eigenaar van het bier zal ik hier niet
weergeven. Via het skiluik in de rugleuning van de achterbank hengelden we uiteindelijk
de inhoud van de kofferbak naar buiten. Gelukkig maar, een auto inleveren met
een bagageruimte vol bier gaat niet natuurlijk.
Net als de eerder genoemde Kadett, was ook deze Peugeot geen normale
uitvoering. Noem de 405 Mi16 een wolf in schaapskleren. Keurig uiterlijk, maar razendsnel.
Na het bezoek aan een Konditorei in Monschau konden we op een stil stuk Autobahn ook met
deze auto de 200 km/u aantikken. Onder luid protest van de vrouw van de bierman.
Zij riep van de achterbank dat ze nu zou uitstappen - duidelijk minder
flegmatiek dan mijn moeder. Maar bij zo'n snelheid klinkt zo'n dreigement natuurlijk
niet realistisch. En achterbankrijders, daar luister je niet naar.


Reacties
Een reactie posten